Wanneer is voldaan aan de aanzegplicht?
Werknemer werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij de werkgever. De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor bepaalde tijd en eindigde van rechtswege op 2 maart 2026. Dat betekent op grond van de wet (artikel 7:668 lid 1 BW), dat de werkgever uiterlijk 2 februari 2026 aan de werknemer schriftelijk moest laten weten of zijn arbeidsovereenkomst na 2 maart 2026 zou worden voortgezet of niet. Werkgever besloot de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten en heeft dit aan werknemer in een brief van 28 januari 2026 laten weten. Echter, de werknemer heeft betwist dat hij de brief heeft ontvangen. Ook stond op de loonstroken “uit dienst 2 maart 2026”.
Oordeel rechter
De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam oordeelde op 18 september 2026 dat het aan de werkgever is om te onderbouwen dat werknemer de brief heeft ontvangen. Alleen dan komt aan de brief “werking” toe.
De werkgever had de brief niet daadwerkelijk verstuurd, maar in het online portaal van Afas geplaatst. Werknemer zou volgens werkgever een pushmelding hebben ontvangen, maar kon dat niet bewijzen.
De vermelding van de datum van uitdiensttreding op de loonstrook kon volgens de rechter evenmin worden gezien als een aanzegging.
Kortom, de werkgever moest de aanzegvergoeding betalen van één maandsalaris.
Praktische tips
- Zeg het einde van een tijdelijke arbeidsovereenkomst uiterlijk een maand voor de einddatum schriftelijk aan of schrijf de aanzegplicht al weg in het contract bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.
- Zorg dat de aanzegbrief op meerdere manieren wordt verstuurd of zorg in elk geval dat bewezen kan worden dat de brief c.q. het schriftelijk bericht door de werknemer is ontvangen.

