Lammers | Thijssen Advocaten Arbeidsrecht

Werkgevers opgelet: Hoge Raad verduidelijkt rechtsvermoeden arbeidsomvang

Inleiding

Op 23 januari 2026 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:99) een belangrijke uitspraak gedaan over het rechtsvermoeden van de omvang van de arbeidsovereenkomst in gevallen waarin niet duidelijk is hoeveel uren een werknemer structureel heeft gewerkt (art. 7:610b BW).

Waar ging de zaak over?

Een werknemer werkte voor langere tijd bij een werkgever. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst eiste de werknemer betaling van achterstallig loon over de volledige duur van zijn dienstverband. Het probleem was dat over een groot deel van de periode geen gespecificeerdeurenregistratie beschikbaar was.

In eerste aanleg en bij het hof werd de loonvordering deels toegewezen. Deels omdat urenstaten ontbraken. De werknemer had echter aangevoerd dat hij structureel gemiddeld circa 50 uur per week werkte en wilde dit baseren op een representatieve periode waarin hij wél uren had bijgehouden.

Wat heeft de Hoge Raad geoordeeld?

De Hoge Raad geeft een belangrijke verduidelijking over de werking van het rechtsvermoeden van arbeidsomvang neergelegd in artikel 7:610b lid 1 BW.

De Hoge Raad heeft in het kort geoordeeld:

Met andere woorden: werkgevers kunnen niet eenvoudig volstaan met het betwisten van loonvorderingen vanwege ontbrekende urenstaten als sprake is van een representatieve referteperiode waarin uren wél zijn geregistreerd en deze representatief is voor de rest van de arbeidsovereenkomst.

Deze uitspraak onderstreept het belang van goede urenregistratie en heldere contractuele afspraken over arbeidsomvang.