Opbouw vakantiedagen tijdens slapend dienstverband, hoe zit het nu?
De Rechtbank Gelderland oordeelde op 12 augustus 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:7054) voor het eerst dat de opbouw van vakantiedagen doorloopt tijdens een slapend dienstverband. De onderliggende argumentatie van deze rechter was kort gezegd dat artikel 7:634 lid 1 BW strijdig zou zijn met de Arbeidstijdenrichtlijn (Richtlijn 2003/88/EG) en Unierecht voorrang heeft.
Deze uitspraak was verrassend en er is ook de nodige kritiek op gekomen. Er zijn vrij snel daarna ook Kamervragen gesteld naar aanleiding van deze uitspraak. De minister SZW gaf daarop aan van mening te zijn dat het Nederlandse recht op dit punt niet in strijd is met Europees recht en niet voornemens te zijn tot een wetswijziging over te gaan.
Het bracht voor werkgevers en werknemers echter wel onduidelijkheid met zich mee over de opbouw van vakantiedagen na 104 weken van ziekte. Dit bracht de nodige discussies met zich mee in onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst.
Inmiddels oordeelden na augustus 2025 verschillende andere kantonrechters dat over een slapend dienstverband géén opbouw van vakantiedagen plaatsvindt. Dit met, in de kern, de volgende argumentatie: (1) omdat bij een slapend dienstverband geen loon wordt betaald, (2) het doel van rust na arbeid niet gediend is en (3) de WIA-uitkering al vakantiedagen biedt.
Hieronder enkele uitspraken die bovenstaande bevestigen en waarin het verzoek van de werknemer om toekenning van vakantiedagen over de periode van het slapende dienstverband werd afgewezen:
- Kantonrechter Groningen 19 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5517
- Kantonrechter Dordrecht, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1215
- Kantonrechter Utrecht 18 februari 2026: zaaknummer 11950152 \ UR BRTX 36-336 (nog niet gepubliceerd)
- Kantonrechter Rotterdam, 24 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1852
Gaat de Hoge Raad zekerheid bieden?
In een heel recente zaak van 2 maart 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:2021) heeft de kantonrechter Rotterdam partijen aangegeven hierover een prejudiciële vraag te willen stellen aan de Hoge Raad. Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van een rechter aan de Hoge Raad over de uitleg van een rechtsregel.
De kantonrechter wil de Hoge Raad de volgende vraag stellen:
Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?
De werkgever en de werknemer in die zaak mogen zich hierover uitlaten en krijgen daarvoor tot en met 16 maart 2026 de gelegenheid.
Voor de werkgeverspraktijk
Er is op dit moment nog steeds geen volledige zekerheid te geven, maar wij gaan ervan uit dat de uitspraak van de rechtbank Gelderland een vreemde eend in de bijt is geweest. Wij volgen op dit punt de Nederlandse wet (artikel 7:634 BW), waaruit volgt dat tijdens een slapend dienstverband geen opbouw van vakantiedagen plaatsvindt. Het is wel de vraag wat de Hoge Raad hierover zal oordelen als er inderdaad prejudiciële vragen gesteld zullen worden in de laatste zaak van de kantonrechter Rotterdam.
We houden u op de hoogte.

